Als het weer en de tijd het toelaat en als ik geen andere afspraken heb, pak ik mijn fiets en rijd ik naar mijn werk: 21 kilometer heen en 21 kilometer terug. Op een 'gewone' stadsfiets (inclusief loodzware fietstassen, ducttape om de kettingkast en een jasbeschermer die aanloopt). 

Ellebogen op de handvatten en trappen maar. 

Fiets Marian

Ondervonden wetmatigheden bij dit woon-werk verkeer zijn:
- Een gesloten mond voorkomt insecten in de luchtpijp/slokdarm. 
- Wind tegen op de heenweg betekent niet automatisch wind mee op de terugweg.
- Koeien, eenden en schapen gaan voor. Ook als ze van links komen.
- De prachtige route* brengt een intens geluksgevoel teweeg.

Al trappende legde ik mijn fietsgeluk vast:

Fietspad schapen

Fietsroute

Punt op de horizon

Koeien steken over

Bosweg

Reiger stijgt op

Lakenvelder

Door het bos

Bij Leersum

Wuivende paardenstaarten

Op de fiets

(* = Leersum-Amerongen-Elst-Rhenen-Wageningen en terug)
Op een regenachtige vrijdagavond opende ik de deur van het American Hotel in Amsterdam. 'We borrelen eerst nog even in Café Americain voordat we naar het Boekenbal gaan', zo had mijn uitgever me gemaild.

De entourage: galajurken, vlinderdasjes, wijn, stralende auteurs en stoelen van cherry pluche.

We hadden het over onze aanstaande boeken: Blokker, Pancakes adventures, Eeuw in versnelling.
De proevencontroles zaten erop. Geduldig keken we uit naar dat eerste exemplaar.

Glazen werden bijgevuld. Bitterballen gingen rond.

Buiten regende het. Het zou een snelle sprint worden naar de rode loper van de Stadsschouwburg.

Eerst nog naar het toilet - met z'n allen -, door de hal, naar de trap. En daar - zo tussen hal en trap - viel mijn oog op een blauw vierkant schild in een oude, houten etalagekast.

Het was een echte.

'Geëmailleerd ijzer, groot 10 bij 15 cm; zij vertonen een blauwe achtergrond, waarop het bekende Bondswapen staat, boven dit wapen leest men in witte letters BONDS en onder dit wapen HOTEL.' (de Kampioen, 1891)


Twee maanden eerder had ik in Eeuw in versnelling een stuk geschrapt over de door de ANWB gecertificeerde hotels voor wielrijders en nu bleek ik me in zo'n fenomeen te bevinden.

Ik - in een BONDSHOTEL!

Dit moest een teken zijn: ook al was het stuk om goede redenen geschrapt, het verschijnsel Bondshotel mocht niet vergeten worden.

Daarom bij deze een kleine geschiedschrijving:

In 1883 werd de Algemeen Nederlandsch Wielrijdersbond opgericht. Een jaar later benoemde de ANWB de eerste Bondshotels.
'Aan deze hotels zal dan vanwege de Bond een hotelschild worden uitgereikt, dat bij de hoofdingang bevestigd moet worden.' 

Een Bondshotel was een ideale overnachtingsplaats voor wielrijders.  In de reisgidsen van de ANWB  stond de ligging van het logement op de route aangegeven. Een dergelijk hotel beschikte over een blauwe hulpkist met reparatie- en verbandmiddelen.

Voor de vermoeide fietser was een Bondshotel een welverdiende luxe: zo was er een wc en badkamer aanwezig en bood elke kamer voorzieningen voor was- en scheerwater.
ANWB leden kregen korting op de overnachting en op de maaltijden en de wijnen.

Een Bondshotel diende daarnaast ook als vergaderruimte voor wielrijdersclubs of cursusruimte voor bijvoorbeeld den motor-cursus van de ANWB.

Voor een hotel was de groeiende groep wielrijder een interessante nieuwe doelgroep. Overal in Nederland lieten hotels zich kwalificeren tot Bondshotels. De Kampioen gaf hotelhouders korting op een doelmatige annonce in het tijdschrift.

De Kampioen, 1893

Rond 1902 waren er zo’n zeshonderd hotels met het keurmerk Bondshotel, herkenbaar aan het daarbij horende blauwe bord bij de ingang, zoals die in de etalagekast van het American Hotel.

En daar stond ik dus bij weg te dromen.

We moeten nu echt gaan, Marian.
Ik schrok op, maakte snel een foto, liet het voormalig Bondshotel achter me en rende door de regen naar de sjompige rode loper van de Stadsschouwburg, intens gelukkig met de onverwachte ontdekking èn met de mogelijkheid om dat meteen te kunnen vieren.
Kijk, zo zag ze eruit: mejuffrouw van Raden.

mejuffrouw van Raden ANWB
Mejuffrouw van Raden en haar broer. Bron: De Kampioen, juni 1885

In juli 1884 was zij het eerste vrouwelijke lid van de ANWB. Mejuffrouw van Raden hield van fietsen - en dat was in de negentiende eeuw buitengewoon vooruitstrevend.

Vrouwen fietsten namelijk niet. 

Niet alleen omdat dames niet zomaar op stap hoorden te gaan, en al helemaal niet per fiets, maar ook vanwege de gedicteerde mode: met de vele lagen zware rokken en schoenen met hoge hakken leek wielrijden onmogelijk. Het verplichte korset van walvisbaleinen wierp nog eens extra drempels op voor een stukje gezonde beweging: de ademhaling en de lever zaten continu in de verdrukking. 

Maar, zo was het idee, wielrijden zou nog veel ongezonder zijn. Het fietsen over hobbelige kinderhoofdjes en oneffen landwegen vergde te veel kracht van een vrouw en kon haar misvormen: haar beenspieren zouden zich ten opzichte van de rest van haar lichaam extreem ontwikkelen.

Een nog belangrijkere reden om vrouwen niet te laten fietsen was dat het, net als studeren, tot onvruchtbaarheid zou leiden. Het wielrijden was dus gevaarlijk voor het voortbestaan van de mens. Daarbij hadden vrouwen een gevoeliger zenuwstelsel dan mannen. Ze waren vatbaarder voor allerlei prikkels van buitenaf die hysterische driften konden aanwakkeren, en hadden een minder sterk karakter en een zwakkere intelligentie dan de man. 

Fietsen was simpelweg te hoog gegrepen voor een vrouw. 

En, - ook dat nog - de vélocipède werd door sommigen gezien als een geheim middel voor masturbatie. Dit denkbeeld versterkte de angst dat vrouwen die eenmaal de vrijheid van het fietsen hadden ervaren ook in andere opzichten de gewenste normen en waarden losser zouden hanteren. 

Vrouwen die fietsten waren niet netjes.

Hoongelach viel hen ten deel.

Maar de 'Pedaleuses' gaven niet op. 

Door pionierende vrouwen zoals mejuffrouw van Raden trad aan het einde van de negentiende eeuw een wisselwerking op tussen de fiets en de mode. Vrouwenorganisaties en artsen pleitten voor het afschaffen van het korset. Zij eisten lichte, eenvoudige jurken die het lichaam niet vervormden.

De ANWB en bedrijven als C&A speelden hierop in door knippatronen en rijwielkleding aan te bieden: broekrokken met lange kousen (zodat de enkels bedekt bleven) of een rok die je kon opknopen (ook met slobkousen). Het korset mocht uit. Het hoedje bleef. 

fietskostuum vrouw
Een fietskostuum met 'pantalon', bron De Kampioen.

Doordat steeds meer vrouwen fietsten en ze dat steeds vaker deden in praktische broekrokken, ontstond er enige gewenning. De wijde broek werd – zeer langzaam maar zeker – aanvaard als een kledingstuk dat vrouwen tijdens het wielrijden konden dragen en in het kielzog daarvan werd het geaccepteerd dat zij ook een praktische jurk of broek aantrokken als zij niet op de fiets zaten.

De fiets emancipeerde man en vrouw - heel geduldig - zowel in levensstijl als in kledingstijl. 

Die mejuffrouw van Raden. 
Hoe vooruitstrevend ze ook was, ze had nooit kunnen vermoeden hoe - mede door haar - een fietsende vrouw er 132 jaar uit zou zien.

Annemiek van Vleuten Giro 2017
Annemiek van Vleuten. Bron AD
Het afgelopen jaar was de meeste gestelde vraag aan mij: 

Waarom een boek over de fiets?

Nou, dat zit zo.

In 1906 maakte mijn grootvader Kees een klein wereldwonder mee in Zuid-Beveland: 

Op een van die nazomerse dagen komt vader van de markt met een verrassing. Hij heeft een handelaar in rijwielen getroffen. In de wagen, die in de ochtend nog gevuld was met zakken tarwe en gerst, ligt nu een glimmende tweewieler. Jan en Kees maken zich het fietsen eigen op de eerste Gazelle aan de Capelleweg. Ze zetten het stuur laag en leren fietsen. Niet met zijwielen of andere hulpmiddelen, maar gewoon afzetten boven aan de dijk, dan naar beneden roetsjen en trappen. Jane kan niet op de fiets met al haar rokken. Ze kijkt toe en lacht. Een fiets! Wat een weelde. 
[Uit: Polderpioniers]

Een openbaring moet het zijn geweest: dat nieuwerwetse vervoermiddel gaf Kees de kans om Zeeland uit te rijden en de wijde wereld in te trekken.

En dan was er dat proces-verbaal uit 1923 dat ik toevallig vond. Mijn grootmoeder werd op een landweggetje in Brabant door een veldwachter van haar fiets geplukt. Ze had namelijk geen rijwielbelasting betaald. Ik stelde me haar voor: verbolgen over haar boete, maar bovenal geëmancipeerd - in haar eentje kilometers ver van huis en met al die klokkende rokken op een fiets.


Het werd mij stilaan duidelijk: 
de fiets was buitengewoon belangrijk voor mijn grootouders. En niet alleen voor hen. Het rijwiel zette in de negentiende en twintigste eeuw talloze economische, maatschappelijke en sociale ontwikkelingen in gang.

Mobiliteit, recreatie en emancipatie bijvoorbeeld.

De anekdote van Kees en zijn Gazelle bracht mij in Dieren, bij de oudste nog bestaande Nederlandse rijwielfabriek. Daar ontdekte ik een indrukwekkend familieverhaal dat verweven was met de revolutie die de fiets in Nederland veroorzaakt had.

Ik had de wonderlijke en imposante geschiedenis van de fiets, van een familie en een fabriek in handen. En stuitte ook nog op bijzondere fietsfeitjes: over het woord Viets, over Bibendum, over kamperen, over de vulkaan Tambora en al die andere wetenswaardigheden.

Ik schetste op een A3-vel een verhaallijn en werd daar zó intens gelukkig van: dat gevoel wilde ik niemand onthouden.



Dus daarom. De fiets verdient een kroniek, een epos, een boek.

12 april 2018 verschijnt Eeuw in versnelling